De dag van de HEER wordt de dag van Christus
Het Oude Testament
De zon zal duister worden en de maan rood als bloed, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de Heer komt.
Joël 2:31
Lees de hele tekst in een moderne AI-vertaling AI
Lees de hele tekst (16 verzen)
In het Nieuwe Testament
Want jullie weten zelf heel goed: zoals een dief in de nacht, zo komt de dag van de Heer.
1 Tessalonicenzen 5:2
AI
Lees de hele tekst in een moderne AI-vertaling AI
Lees de hele tekst (7 verzen)
Bij de profeten is 'de dag van de HEER' de dag waarop God zelf ingrijpt: groot en ontzagwekkend, en een dag van duisternis voor wie zich zeker voelden. Jesaja: kruip weg in de rotsen, weg van de verschrikking van de HEER en de glans van zijn majesteit, wanneer hij opstaat om de aarde te doen beven.
Paulus spreekt afwisselend van 'de dag van de Heer' en 'de dag van Christus' of 'de dag van onze Heer Jezus Christus'. In de tweede brief aan de Tessalonicenzen neemt hij Jesaja's woorden over het aangezicht van de Heer en de glans van zijn majesteit letterlijk over voor de terugkomst van Jezus. Zo schuift de oude verwachting van Gods eigen komst naar de komst van Christus. Dat sluit aan bij Jesaja 40 en Maleachi, waar de bode de weg bereidt voor de HEER zelf (nummer 19).